Wat bepaalt de prijs van ERE-certificaten en waarom is een hoge olieprijs niet altijd gunstig?
De waarde van ERE-certificaten wordt bepaald door wettelijke verplichtingen, vraag en aanbod en het prijsverschil tussen fossiele en hernieuwbare brandstoffen. Lees waarom een hoge olieprijs de biopremie kan verkleinen en daardoor juist voor neerwaartse druk op de ERE-prijs kan zorgen.
Wat bepaalt de prijs van ERE-certificaten en waarom is een hoge olieprijs niet altijd gunstig?
De vergoeding voor het laden van een elektrische auto is gekoppeld aan de waarde van ERE-certificaten. Die waarde staat niet vast. ERE’s worden verhandeld op een markt waarop vraag en aanbod voortdurend veranderen.
Veel mensen verwachten dat een hoge olieprijs automatisch zorgt voor duurdere ERE’s. Dat klinkt logisch: als benzine en diesel duurder worden, zou duurzame energie toch ook meer waard moeten worden? In de praktijk kan juist het tegenovergestelde gebeuren.
Een hoge olie- of dieselprijs kan het prijsverschil tussen fossiele en hernieuwbare brandstoffen verkleinen. Daardoor wordt het voor brandstofleveranciers goedkoper om zelf biobrandstoffen in te zetten en zijn zij mogelijk minder bereid om een hoge prijs voor ERE-certificaten te betalen.
Waarom hebben ERE’s waarde?
Leveranciers van fossiele brandstoffen moeten de uitstoot van de door hen geleverde brandstoffen jaarlijks verminderen. Zij kunnen dat doen door zelf hernieuwbare energie in te zetten of door ERE’s van andere partijen te kopen.
Eén ERE vertegenwoordigt één kilogram CO₂-equivalente emissiereductie. Brandstofleveranciers moeten jaarlijks voldoende ERE’s inleveren om aan hun brandstoftransitieverplichting te voldoen. Daardoor ontstaat een wettelijke vraag naar deze eenheden.
Het systeem is nadrukkelijk een marktinstrument. Een brandstofleverancier kan steeds afwegen wat financieel het aantrekkelijkst is:
zelf biobrandstoffen inzetten;
hernieuwbare elektriciteit of andere duurzame energie registreren;
of ERE’s kopen van een andere marktpartij.
De prijs van ERE’s wordt daarmee mede bepaald door de kosten van de goedkoopste alternatieve manier om aan de verplichting te voldoen.
Het prijsverschil tussen fossiele en duurzame brandstof
Een van de belangrijkste begrippen voor de ERE-prijs is de biopremie. Dit is het prijsverschil tussen een hernieuwbare brandstof en de fossiele brandstof die daarmee wordt vervangen.
Stel dat hernieuwbare diesel € 400 per ton duurder is dan fossiele diesel. Een brandstofleverancier heeft dan relatief hoge meerkosten wanneer hij zelf hernieuwbare diesel inzet. Het kan in dat geval aantrekkelijker zijn om ERE’s te kopen van een andere partij.
Wordt fossiele diesel vervolgens duurder, terwijl de prijs van hernieuwbare diesel minder hard stijgt? Dan wordt het prijsverschil kleiner. Het zelf inzetten van hernieuwbare diesel wordt daardoor relatief goedkoper. De brandstofleverancier hoeft dan mogelijk minder te betalen voor een ERE om tot dezelfde emissiereductie te komen.
CE Delft omschrijft de kern van deze prijsvorming als het verschil tussen de kosten van hernieuwbare energiedragers en de fossiele brandstoffen die zij vervangen. De ERE-prijs compenseert geheel of gedeeltelijk voor die meerkosten.
Waarom kan een hoge olieprijs de ERE-prijs verlagen?
Een hogere olieprijs werkt door in de prijs van fossiele benzine, diesel en gasolie. Wanneer de fossiele brandstof duurder wordt, neemt het verschil met een hernieuwbaar alternatief vaak af.
Een vereenvoudigd voorbeeld:
SituatieFossiele dieselHernieuwbare dieselBiopremieLagere olieprijs€ 700 per ton€ 1.200 per ton€ 500Hogere olieprijs€ 950 per ton€ 1.250 per ton€ 300
In het tweede voorbeeld is hernieuwbare diesel nog steeds duurder, maar de meerprijs is afgenomen van € 500 naar € 300 per ton.
Daardoor wordt het voor een brandstofleverancier goedkoper om zelf hernieuwbare diesel te gebruiken. De maximale prijs die deze partij bereid is te betalen voor een alternatieve ERE kan dan eveneens afnemen.
De keten is dus meestal:
hogere olieprijs → duurdere fossiele diesel → kleinere biopremie → goedkopere fysieke verduurzaming → mogelijk lagere ERE-prijs
CE Delft concludeert in zijn gevoeligheidsanalyse dat juist een lagere olieprijs de meerkosten van hernieuwbare brandstoffen kan vergroten. Dat kan de waarde van de certificaten die nodig zijn om deze meerkosten te compenseren ondersteunen.
Ook in recente Europese marktontwikkelingen was dit mechanisme zichtbaar. Toen de gasolieprijs sterk opliep, daalden de premies voor hernieuwbare diesel. Marktpartijen meldden daarbij neerwaartse druk op verschillende Europese brandstofcertificaten.
De verhouding is niet één op één
Een hoge olieprijs leidt niet onder alle omstandigheden automatisch tot een lagere ERE-prijs. Het gaat uiteindelijk om het prijsverschil tussen fossiele en hernieuwbare alternatieven.
De prijs van hernieuwbare brandstoffen kan namelijk ook stijgen. Dat kan bijvoorbeeld komen door:
hogere prijzen voor gebruikte oliën en vetten;
schaarste aan duurzame grondstoffen;
hogere productie- en transportkosten;
extra vraag naar biodiesel, HVO of biomethaan vanuit andere landen;
of nieuwe Europese verduurzamingsverplichtingen.
Stijgt hernieuwbare diesel net zo snel of zelfs sneller dan fossiele diesel, dan wordt de biopremie niet kleiner. In dat geval hoeft een hogere olieprijs de ERE-prijs dus niet te verlagen.
De juiste conclusie is daarom:
Een hoge olieprijs is op zichzelf niet gunstig voor de ERE-prijs. Doorslaggevend is hoe de prijs van fossiele brandstof zich ontwikkelt ten opzichte van de prijs van duurzame alternatieven.
De belangrijkste prijsdrivers van ERE’s
1. De hoogte van de wettelijke verplichting
Hoe meer uitstoot brandstofleveranciers wettelijk moeten verminderen, hoe meer ERE’s zij nodig hebben.
Voor de sector land bedraagt de ketenemissiereductieverplichting in 2026 14,4%. Volgens de huidige regeling loopt deze op tot 28,4% in 2030. Een oplopende verplichting vergroot in beginsel de vraag naar ERE’s en kan daardoor prijsverhogend werken.
2. De kosten van biobrandstoffen
Brandstofleveranciers vergelijken de kosten van ERE’s met de kosten van onder andere biodiesel, HVO, bio-ethanol, biomethaan en hernieuwbare waterstof.
Worden deze duurzame brandstoffen duurder of moeilijker verkrijgbaar, dan kunnen ERE’s aantrekkelijker worden. Dat zorgt doorgaans voor opwaartse prijsdruk.
Worden duurzame brandstoffen juist goedkoper, dan kunnen brandstofleveranciers hun verplichting voordeliger met fysieke brandstoffen invullen. Dat kan de ERE-prijs drukken.
3. De olie- en gasolieprijs
De fossiele brandstofprijs vormt de andere helft van de vergelijking.
Een stijgende fossiele prijs verkleint de meerkosten van een duurzaam alternatief wanneer de duurzame prijs niet even hard meestijgt. Een dalende olieprijs kan de biopremie juist vergroten en daarmee de benodigde financiële compensatie via ERE’s verhogen.
De olieprijs beïnvloedt daarmee niet alleen de prijs aan de pomp, maar ook de relatieve aantrekkelijkheid van de verschillende manieren waarop brandstofleveranciers hun verplichting kunnen naleven.
4. Het beschikbare aanbod van ERE’s
Meer aanbod kan een prijsdrukkend effect hebben. Het aanbod groeit onder andere door:
meer elektrisch gereden kilometers;
meer zakelijke en particuliere laadpunten die worden geregistreerd;
meer inzet van biobrandstoffen;
meer biomethaan en hernieuwbare waterstof;
en de omzetting van gespaarde eenheden uit eerdere jaren.
De NEa rapporteert periodiek hoeveel ERE’s beschikbaar zijn in het Register Energie Vervoer. Die rapportages geven marktpartijen inzicht in de verhouding tussen het beschikbare aanbod en de toekomstige verplichting.
5. Groei van elektrisch laden
Elektriciteit voor wegvervoer creëert ERE-E binnen de sector land. Hoe meer laadverbruik wordt ingeboekt, hoe groter het aanbod van deze eenheden wordt.
Dat kan de prijs van ERE-E onder druk zetten wanneer het aanbod sneller groeit dan de vraag. Tegelijkertijd loopt ook de wettelijke reductieverplichting sterk op. Groei van elektrisch rijden hoeft daarom niet automatisch te leiden tot lagere prijzen: het gaat om de verhouding tussen de groei van het aanbod en de groei van de verplichting.
ERE-E heeft bovendien een eigen positie binnen de systematiek en kan alleen worden gebruikt binnen de sector waarin de elektriciteit is geleverd.
6. Schaarste per soort ERE
Niet alle ERE’s zijn hetzelfde. Er bestaan afzonderlijke categorieën voor onder meer:
geavanceerde biobrandstoffen;
gebruikte oliën en vetten;
conventionele biobrandstoffen;
hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong;
en elektriciteit.
Voor sommige categorieën gelden minimumdoelen en voor andere categorieën juist maximale inzetlimieten. Daardoor kan er binnen één markt tegelijkertijd een overschot aan het ene type en schaarste aan een ander type ontstaan.
Een schaars type dat nodig is voor een verplicht subdoel kan daardoor een andere waarde hebben dan een type waarvan ruim voldoende beschikbaar is.
7. Internationale ontwikkelingen
Nederland is voor veel duurzame brandstoffen en grondstoffen afhankelijk van internationale markten. Prijsontwikkelingen in Duitsland, België, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Azië en de Verenigde Staten kunnen daardoor ook invloed hebben op de Nederlandse ERE-markt.
Wanneer een ander land zijn verplichting verhoogt, kan daar meer vraag ontstaan naar dezelfde duurzame grondstoffen. Nederlandse marktpartijen moeten dan concurreren om bijvoorbeeld gebruikt frituurvet, HVO, biomethaan of duurzame waterstof.
De NEa wijst erop dat de Nederlandse markt sterk afhankelijk is van internationale leveringsketens, terwijl veel grondstoffen voor biobrandstoffen van buiten Europa komen.
8. Beschikbare spaartegoeden
Brandstofleveranciers en inboekers mogen een beperkt aantal eenheden meenemen naar een volgend jaar. Grote spaarvoorraden kunnen tijdelijk extra aanbod creëren en de prijs dempen.
Zijn weinig eenheden gespaard en nadert de jaarlijkse afrekendatum, dan kunnen kopers juist actiever worden. Dat kan voor extra vraag en prijsvolatiliteit zorgen.
Bij de overgang naar het ERE-systeem zijn resterende HBE-spaartegoeden omgerekend naar ERE’s. Volgens de NEa werd iedere gespaarde HBE daarbij omgezet in 46 ERE’s.
Vraag en aanbod komen samen bij de duurste noodzakelijke maatregel
Brandstofleveranciers proberen hun verplichting in beginsel zo kostenefficiënt mogelijk te behalen. Zij beginnen doorgaans met de goedkoopste beschikbare verduurzamingsopties.
Naarmate de verplichting stijgt, moeten vervolgens ook duurdere opties worden ingezet. De kosten van de laatste maatregel die nog nodig is om de verplichting volledig te behalen, kunnen een belangrijke indicatie geven voor de marktwaarde van ERE’s.
In de economie wordt dit aangeduid als de marginale reductiekost: de kosten van de laatste extra kilogram CO₂-reductie die nodig is om het doel te halen.
Is die laatste benodigde verduurzamingsoptie duur en schaars, dan kan de ERE-prijs stijgen. Zijn er ruim voldoende goedkope opties beschikbaar, dan kan de prijs dalen.
Wat betekent dit voor de vergoeding van thuisladers?
De vergoeding voor thuis geladen elektriciteit is uiteindelijk afhankelijk van:
het aantal geregistreerde kilowatturen;
het aantal ERE-E dat daarmee wordt gecreëerd;
de marktwaarde van deze eenheden;
en de afspraken met de inboekdienstverlener.
De wettelijke vraag naar ERE’s biedt een structurele basis, maar de prijs per ERE en daarmee de vergoeding per geladen kWh is niet wettelijk vastgesteld.
Een indicatieve vergoeding is daarom altijd een momentopname. De uiteindelijke uitbetaling kan hoger of lager uitvallen door veranderingen in olieprijzen, biobrandstofprijzen, verplichtingen, aanbod en internationale marktomstandigheden.
Een hoge olieprijs is dus niet automatisch goed nieuws
Bij veel grondstoffen betekent een hogere olieprijs ook een hogere waarde van duurzame alternatieven. Bij ERE’s ligt dat genuanceerder.
ERE’s helpen de meerkosten van verduurzaming te overbruggen. Wanneer fossiele brandstof sterk in prijs stijgt en hernieuwbare brandstof minder hard meestijgt, worden die meerkosten kleiner. De noodzaak om via een hoge certificaatprijs te compenseren neemt dan af.
Voor de ERE-prijs zijn daarom niet alleen de olieprijs en de dieselprijs belangrijk, maar vooral:
het verschil tussen de fossiele brandstofprijs en de prijs van de duurzame vervanger.
Laadpremie volgt de marktontwikkelingen en verkoopt de gecreëerde ERE’s namens haar deelnemers. De uiteindelijke vergoeding wordt bepaald door de gerealiseerde opbrengst en kan gedurende het jaar veranderen.
Meld je laadpaal aan bij Laadpremie en laat je geladen kilowatturen omzetten in verhandelbare ERE-certificaten.
Wat levert jouw laadpaal op?
Reken het uit met je kilometers of je laadverbruik, en meld je in een paar minuten aan.